Vragen en antwoorden

Wat is het programma Warmte Leidse Regio?
Binnen het programma Warmte Leidse Regio (WLR) werken zes gemeenten sinds 1 augustus 2021 samen aan de warmtetransitie: Voorschoten, Zoeterwoude, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Katwijk. Met als stip op de horizon dat in 2050 de Leidse Regio aardgasvrij is, met een goed geïsoleerde gebouw voorraad die door duurzame warmte verwarmd wordt. De samenwerking loopt minimaal tot 2027.
Waarom regionale samenwerking?
De raden en colleges van B&W van de zes gemeenten vinden het verstandig om de warmtetransitie in regionaal verband op te pakken. Dat maakt het mogelijk om:
- de regionale afstemming te organiseren bij: (a) de uitgifte van warmtekavels, (b) de totstandkoming van transport- en distributienetten, waar de bovenlokale aspecten van
belang zijn en (c) de vormgeving van warmte(net)beheer; - de regierol te pakken in samenspel met energiecoöperaties, woningcorporaties,
netbeheerders, marktpartijen en (mede)overheden; - sturing te krijgen op de borging van de publieke waarden betaalbaarheid, haalbaarheid, duurzaamheid, tijdigheid (van CO2-reductie) en betrouwbaarheid;
- een sterke en slagvaardige gespreks- en samenwerkingspartner te zijn.
Welke opdracht heeft het programma?
In 2050 moet de Leidse Regio aardgasvrij zijn, is de gebouw voorraad goed geïsoleerd en wordt met duurzame warmte verwarmd. Om dat te realiseren heeft het programma twee opdrachten:
1 – de voorbereiding op de realisatie van een Open Regionaal Energie Systeem (ORES) waarin – met borging van publieke waarden – bronnen (aanbod) en afname (vraag) van warmte met
elkaar verbonden zijn;
2 – het verkennen en voorbereiden van een Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf (RPIW)
op WLR niveau, als uitvoeringsorgaan voor de realisatie en exploitatie van het ORES.
Deze opdracht is vastgesteld in het Bestuurlijk Overleg WLR van 11 maart 2024.
Wat is de relatie met de Wet collectieve warmte
De verkenning naar een regionaal warmtebedrijf (RPIW) sluit aan op het wetsvoorstel Wet collectieve warmte (Wcw). Volgens dat wetsvoorstel stellen gemeenten in de toekomst warmtekavels vast, dat wil zeggen aaneengesloten gebieden met een collectieve warmtevoorziening. Vervolgens wijzen zij warmtebedrijven aan voor iedere warmtekavel. Die bedrijven hebben de taak om de productie of inkoop, distributie en levering van warmte op een duurzame, leveringszekere en betaalbare manier te organiseren. Een meerderheidsaandeel in deze warmtebedrijven moet volgens het wetsvoorstel in publieke handen zijn. Het RIPW in oprichting moet gaan voldoen aan de nieuwe wetgeving.
Wat zijn de beoogde resultaten van het programma WLR als we verder vooruitkijken?
Het programma Warmte Leidse Regio eindigt in 2027. Als het warmtebedrijf dan daadwerkelijk gerealiseerd is zijn dit de beoogde doelstellingen voor 2030-2050:
- het Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf (RPIW) is verantwoordelijk voor realisatie, operatie, beheer, onderhoud en uitbreiding van het ORES & zorgt voor de balans tussen vraag naar warmte en het aanbod van (duurzame) warmte(bronnen);
- het RPIW is operationeel verantwoordelijk voor de inkoop (contractering), de distributie en levering van warmte binnen één of meerdere kavels (van de Leidse regio). Dit conform de uitgangspunten zoals die zijn opgenomen in de Wet collectieve warmte;
- er is een Open Regionale Warmte Infrastructuur gerealiseerd die (duurzame) warmte
transporteert van bronnen naar afname clusters.
Q&A bewonerswebinar 19 november 2025
Onderstaand zijn de vragen weergegeven, die zijn gesteld tijdens het bewonerswebinar. De vragen zijn geclusterd per onderwerp.
1 – Collectieve warmteoplossingen in de Leidse regio
1.1 Is er voldoende ruimte in de ondergrond voor de warmte maar ook energietransitie?
Dat is een zeer relevante vraag. In de Leidse regio hebben we te maken met een verstedelijkt gebied, waarin al heel veel infrastructuur in de grond is aangelegd. Het zal in de praktijk niet altijd mogelijk zijn om de beoogde (warmte)infrastructuur op de meest gewenste plaats aan te leggen, door de reeds aanwezige infrastructuur. In de verdere planvorming en detaillering van de (beoogde) collectieve warmteoplossingen, zal daar rekening mee gehouden moeten worden.
1.2 Er werd gesproken over 'het prachtige warmtenet dat er komt'. Is er dus een keuze gemaakt voor één warmtenet of gaat het over meerdere netten? En hoe verhoudt dit zich tot de multi-bronnen strategie?
Om tot een ontwerp te (kunnen) komen van een collectieve warmteoplossing, is allereerst van belang welke afnemers er bediend dienen te worden en wat de kenmerken zijn van die afnemers. In de plannen wordt dat op wijk/buurt niveau door de gemeenten uitgewerkt (in het warmteprogramma). Dat zal in de praktijk tot verschillen leiden per wijk/buurt.
In combinatie met de (mogelijk) beschikbare warmtebronnen wordt dan bezien welke warmteoplossing het beste is voor die wijk/buurt. Uit die analyse kan blijken dat een collectieve warmteoplossing het beste alternatief is (lees: de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten). In die zin is er sprake van een warmteoplossing per wijk.
Op dit moment verwachten we een mix van regionale en lokale warmtebronnen nodig te hebben om de warmtevraag te kunnen voorzien, vandaar dat ingezet wordt op een multi-bronnenstrategie.
1.3 Er wordt nu alleen maar gesproken over warmtenetten. Is de oplossing via individuele warmtepompen nu niet meer aan de orde?
Om de warmtetransitie te realiseren zullen er meerde oplossingen naast elkaar bestaan. Individuele oplossingen, bijvoorbeeld in de vorm van individuele warmtepompen, en collectieve oplossingen, bijvoorbeeld in de vorm van een warmtenet. In het warmteprogramma stellen gemeenten per wijk of gebied vast welke oplossing de voorkeur heeft, waarbij de verwachting is dat de inzet daarvan tot de laagste maatschappelijke kosten leidt.
1.4 Gaat het bij de 100 duizend woningen alleen om huurwoningen van woningbouwverenigingen of ook appartementen in VvE's en andere koopwoningen? Ik woon zelf in een VvE. Hoe kom ik te weten of we meedoen in een collectieve of individuele oplossing?
Door de gemeente wordt in het warmteprogramma vastgesteld in welke wijk/buurt een collectieve warmteoplossing een mogelijke oplossing is. In de wijk is het dan aan de woningbouwcorporatie(s) en aan de eigenaren van de gebouwen om de afweging te maken of ze willen aansluiten op een collectieve warmteoplossing.
1.5 Hoe duurzaam is het warmtenet? Wordt er gezorgd dat de uitstoot in ieder geval zo laag is als (de elektriciteit voor) een warmtepomp?
De duurzaamheid van een warmtenet wordt door verschillende aspecten bepaald, waaronder de bron die gebruikt wordt. Daarbij speelt ook een rol welke voorzieningen getroffen worden om aan de piekvraag (tijdens de koude dagen) te kunnen voldoen. In zijn algemeenheid is geen uitspraak te doen hoe duurzaam een warmtenet is. Wel zijn warmtebedrijven verplicht jaarlijks (aan RVO) te rapporteren over de duurzaamheid van hun warmtenet. Dit zijn openbare rapportages. Daarnaast worden in de Wet collectieve Warmte (WcW) eisen gesteld aan de duurzaamheid van de warmtebronnen die gebruikt worden. Deze worden in de loop der tijd steeds strenger. In de warmtetransitie streven we naar het verminderen en uiteindelijk stoppen met het gebruik van gas. Daarbij speelt ook een rol om de (lokale) uitstoot te beperken en uiteindelijk tot nul te reduceren. Deze transitie zal vele jaren in beslag nemen.
1.6 Hoe kan je kiezen voor het warmtenet als niet van tevoren aan te geven is hoe prijs eruit gaat zien, na loslating van gasprijzen
Het is de bedoeling om de overgang naar alternatieven per wijk/buurt uit te voeren in specifieke (buurt)warmteprojecten. Voordat besloten wordt om een collectieve warmteoplossing aan te leggen, zal er duidelijk zijn wat de beoogde tarieven zijn voor de afnemers/bewoners om over te stappen.
1.7 Ik dacht over te stappen naar airco's maar dit is heel wat anders?
Ja, het gebruik van een airco is een individuele oplossing en in basis gericht op het koelen van de woning in de zomer. Een airco kan ook gebruikt worden voor verwarming van ruimten in de woning in koudere maanden. Overigens voorziet een airco niet in warm tapwater en kan dus op zichzelf niet gezien worden als totaaloplossing voor aardgasvrij.
1.8 Ik weet zeker dat ik dit niet wil dus mijn vraag is het verplicht?
Nee, het is niet verplicht op over te stappen op een collectieve warmteoplossing. In dat geval dient de eigenaar van de woning zelf een alternatieve oplossing te realiseren op het moment dat de gaslevering stopt.
1.9 In de brochure wordt gesuggereerd dat alles een voldongen feit is en als ik naar de wethouders en de presentatie luister, hoor ik alleen beren op de weg. Ik word er niet warm van. Hoe zit het eigenlijk?
Er zijn op dit moment nog geen definitieve beslissingen genomen voor de aanleg van collectieve warmtoplossingen in de Leidse regio. De eerstvolgende stap is het opstellen van de warmteprogramma’s (door gemeenten). Daarna zal verdere planvorming per wijk/buurt plaatsvinden.
1.10 Is er een globaal plan met welke oplossingen en wanneer in periode naar 2050 om in 2050 op 0 CO2 (gasgebruik) ook zonder CO2 opslag uit te komen?
Er is een eerste versie van een regionaal toekomstbeeld gemaakt door de RES-regio Holland Rijnland (Toekomstbeeld regionaal warmtesysteem Holland Rijnland). Dat richt zich met name collectieve warmteoplossingen. Daarbij wordt uitgegaan van de wijken/buurten, die gemeenten voorzien voor een collectieve warmteoplossing. Daarin is nog geen onderscheid gemaakt in de verschillende (mogelijke) oplossingen per wijk. De komende jaren zal dat regionaal toekomstbeeld (met de inzichten vanuit de gemeentelijke warmteprogramma’s) verder verfijnd en gedetailleerd kunnen en moeten worden.
1.11 Is er een minimum deelnemers nodig per wijk of regio nodig om door te laten gaan? Of komt het sowieso?
De afweging voor de aanleg van een collectieve warmteoplossing wordt per wijk/buurt genomen. Op wijkniveau wordt bepaald of een collectieve warmteoplossing tot de laagste maatschappelijke kosten leidt, welke (technische) oplossing de beste is, welke bronnen er ingezet (kunnen) worden, hoeveel bewoners/bedrijven deel willen nemen en of het financieel gezien realiseerbaar is (positieve businesscase). De verwachting is dat op wijkniveau minimaal 70% van de bewoners moeten meedoen om het besluit te kunnen nemen om de collectieve warmtevoorziening aan te leggen
1.12 Stadsverwarming in handen van private partijen maken gebruik van fossiele brandstoffen. Hoe verhoudt zich dat tot het aardgasvrij zijn?
De wetgeving stuurt op een warmtevoorziening die in meerderheid in eigendom is van publieke partijen (zoals gemeenten). Op dit moment zien we dat veel collectieve warmteoplossingen (nog) gebruik maken van fossiele brandstoffen om aan de warmtevraag te kunnen voldoen. De overheid zet erop in dat de warmtevoorziening aardgasvrij wordt. Dat betekent dat zowel bestaande als nieuwe collectieve warmteoplossingen (uiteindelijk) aardgasvrij moeten worden.
1.13 Temperaturen en Isolatie-eis: Welke aanvoertemperatuur zal dit warmtenet hanteren (bijv. Hoog, Midden, of Zeer Laag Temperatuur)
Op dit moment voorzien we dat er verschillende collectieve warmteoplossingen zullen ontstaan, die per wijk verschillend zijn: midden temperatuur, lage temperatuur en mogelijk ook zeer lage temperatuur.
1.14 Waar moeten de incentives om kosten te besparen vandaan komen?
Op dit moment is de grootste uitdaging om tot een (collectieve) warmteoplossing te komen die betaalbaar is voor bewoners en bedrijven. Naast de aanleg van een collectieve warmteoplossing, zetten de landelijke overheid en de gemeenten in op het isoleren van de woningen. Doel daarvan is om de warmtevraag te beperken. Hiervoor zijn ook subsidies beschikbaar om de bewoners daarin te ondersteunen.
1.15 Waarom denken deze 6 gemeenten in ZH dat het opstarten van een warmtenet hier wel kan, terwijl in een groot aantal steden in Nederland men dit idee al heeft laten varen! Zijn die gemeenten allemaal minder kundig dan hier?
Er wordt in heel Nederland ingezet op publieke warmtebedrijven en collectieve warmteoplossingen, niet alleen in de Leidse regio. Uitgangspunt daarbij is dat deze collectieve warmteoplossingen worden gerealiseerd in wijken/buurten waar dit tot de laagste maatschappelijke kosten leidt.
1.16 Waarom wordt er nu al geïnvesteerd in WarmtelinQ, terwijl er nog zoveel onduidelijk over een collectief warmtebedrijf, deelname van bewoners en kosten?
De landelijke overheid en de provincie Zuid-Holland investeren in de aanleg van WarmtelinQ. Inzet is om de restwarmte, die ontstaat in de Rotterdamse haven niet verloren te laten gaan (en te lozen), maar die aan te wenden voor de verwarming van gebouwen en bedrijven. In de Leidse regio is op dit moment duidelijk dat warmte vanuit WarmtelinQ gebruikt zal worden om het (bestaande) warmtenet (van Vattenfall) in de gemeenten Oegstgeest, Leiden en Leiderdorp van warmte te voorzien (in plaats van de warmte die afkomstig van de (Uniper) stadscentrale in Leiden.
1.17 Wanneer wordt er bekend welke wijken niet in aanmerking komen voor een MT-warmtenet of een ZLT-warmtenet?
De gemeenten zijn op dit moment de warmteprogramma’s aan het opstellen. De verwachting is dat in 2026 deze plannen besproken kunnen worden met de inwoners.
1.18 Wat voor verwachte aanpassingen van de infrastructuur zijn nodig om gebruik te kunnen maken van de warmtebronnen?
Voor het bestaande warmtenet in Oegstgeest, Leiden en Leiderdorp geldt dat er een Warmte Overdracht Station (WOS) gebouwd wordt om het mogelijk te maken dat de warmte vanuit WarmtelinQ gebruikt kan gaan worden voor de verwarming van de woningen en gebouwen die aangesloten zijn op dit warmtenet. Nieuwe warmtebronnen en nieuw aan te leggen warmte-infrastructuur zal in samenhang ontworpen en aangelegd moeten worden.
1.19 Zijn de milieueffecten van de enorme operatie die het transport van energie van grotere afstand (R'dam-Leiden) heeft?
Dit valt buiten de scope van het programma Warmte Leidse Regio. Voor de aanleg van WarmtelinQ is een Milieu Effect Rapportage (MER) opgesteld (MER Rijswijk Leiden › WarmtelinQ).
1.20 In hoeverre kunnen kleinschalige projecten worden gestimuleerd/gefaciliteerd?
De gemeenten willen (kleinschalige) lokale initiatieven ondersteunen. In overleg met de betreffende initiatieven wil de gemeenten vaststellen welke ondersteuning daarbij vanuit de gemeente gewenst is. Er vindt veelal al regelmatig overleg plaats tussen de gemeente en lokale initiatieven.
1.21 Hoeveel ruimte voor uitbreiding is er nog in het bestaande warmtenet?
Binnen de gemeenten Oegstgeest, Leiden en Leiderdorp is daar op dit moment nog niet voldoende inzicht in. Deze gemeenten zijn in overleg met Vattenfall om dat inzicht te verkrijgen. Deze inzichten zullen worden meegenomen bij het opstellen van het (gemeentelijke) warmteprogramma.
2 – Potentiële Warmtebronnen
2.1 Blijft het warmteoverschot van Pernis met zekerheid bestaan als het gebruik van fossiel vermindert?
Het warmteoverschot in de Rotterdamse haven komt uit meerdere industriële processen, waaronder raffinage, chemie en afvalverwerking. De verwachting is dat er de komende decennia restwarmte beschikbaar blijft, ook bij verdere verduurzaming van de industrie. WarmtelinQ is bovendien zo ontworpen dat het systeem mee kan bewegen met veranderingen in de bronmix, bijvoorbeeld door later meer geothermie of aquathermie toe te voegen. De Wcw verplicht warmtebedrijven richting 2050 steeds verder te verduurzamen.
2.2 De afstand tussen de vuilverbranding is zo groot dat alles weer afkoelt waardoor het moet worden opgewarmd. Dat is dus een enorme verspilling.
WarmtelinQ is een geïsoleerd transportnet, ontworpen om warmteverlies over lange afstand te beperken. Het vervoer van warmte over grotere afstanden is een techniek die internationaal veel wordt toegepast. Langs het tracé worden boosters en pompstations geplaatst om het systeem efficiënt te laten functioneren. Het energieverlies is beperkt en wordt meegenomen in de totale ontwerp en duurzaamheidsberekeningen.
2.3 Het pompstation dat langs de A44 wordt gebouwd om de warmte vanaf Rotterdam een extra boost te geven, wordt dit gasgestookt?
Vattenfall bouwt een energiecentrale in het Leiden Bio Science Park. Het gaat om een warmteoverdrachtstation (WOS) en een zogenoemde piek- en back-upinstallatie die wordt gebouwd in de oksel van de A44 en de Tjalmaweg naar Katwijk. Het WOS wordt elektrisch aangedreven. Alleen de piek- en back-upinstallatie is gasgestookt, maar wordt technisch voorbereid om ook op groene waterstof te kunnen draaien.
2.4 Hoe gaat u om met het gegeven dat WarmtelinQ niet voldoende warmte kan leveren voor alle inwoners van de Leidse regio?
WarmtelinQ is één van de bronnen die in de regio kan worden ingezet. Uit regionale analyses blijkt dat er een mix van bronnen nodig zal zijn, waaronder restwarmte, geothermie en mogelijk aquathermie. De toekomststrategie in de Leidse regio is daarom gebaseerd op een multi-bronnenstrategie. Dat betekent dat WarmtelinQ niet als enige bron wordt gezien, maar als onderdeel van een bredere regionale warmtestrategie.
2.5 Hoe wordt omgegaan met WarmtelinQ? Dit wordt een heel kostbare oplossing.
WarmtelinQ is een landelijk en provinciaal geïnitieerd infrastructuurproject, gericht op het ontsluiten van restwarmte die anders zou worden geloosd. De kosten van de transportleiding worden gedragen door het Rijk en de provincie Zuid-Holland. Voor lokale warmtebedrijven en gemeenten is WarmtelinQ een beschikbare infrastructuur waar zij warmte van kunnen inkopen; deze kosten maken deel uit van de businesscase van afzonderlijke warmtenetten. Het regionale programma werkt aan een gezonde, publieke businesscase waarin tarieven voor bewoners betaalbaar blijven.
2.6 Hoe zeker is de restwarmte uit Rotterdam op den duur – dreigt er geen fossiele lock-in?
De Wet collectieve warmte verplicht warmtebedrijven om hun bronnen stapsgewijs te verduurzamen richting 2050. Restwarmte uit industrie is geen “fossiele verplichting”: wanneer de industrie verduurzaamt, blijft er vaak nog steeds restwarmte beschikbaar uit processen zoals waterstofproductie, elektrolyse, circulaire industrie of afvalverwerking. Daarnaast wordt er regionaal gewerkt aan alternatieven zoals geothermie en aquathermie, zodat de regio niet afhankelijk wordt van één bron.
2.6 Hoe zeker is de warmtelevering uit de Rotterdamse haven? Tot nu komt de warmte (betaald) van de AVR.
WarmtelinQ koppelt meerdere bronnen en biedt daarmee leveringszekerheid. De AVR is één van de aanbieders van restwarmte, maar het systeem is gemaakt om bronnen toe te voegen of te vervangen. De Wcw stelt eisen aan de leveringszekerheid van warmtebedrijven, waardoor continuïteit voor afnemers gewaarborgd moet zijn.
2.7 Wat zijn de milieueffecten van het transport van energie van Rotterdam naar Leiden? Is de restwarmte uit Rotterdam niet grotendeels afkomstig van verbranding van fossiele energie?
Restwarmte is warmte die anders ongebruikt zou worden geloosd. Het benutten van deze warmte voorkomt verspilling en vermindert de behoefte aan het lokaal verbranden van gas. De milieueffecten van het transport zijn relatief beperkt en zijn onderzocht in de Milieu Effect Rapportage (MER) van WarmtelinQ (MER Rijswijk Leiden › WarmtelinQ). De warmtetransitie zorgt er bovendien voor dat de bronnenmix in de loop der jaren steeds duurzamer wordt, bijvoorbeeld door geothermie en aquathermie toe te voegen.
2.8 Hoe zeker is het dat het lukt om geothermie te ontwikkelen?
Geothermie is een kansrijke bron voor de Leidse regio, maar er zijn altijd technische en geologische onzekerheden. In de regio worden voorbereidingen getroffen en onderzoeksvergunningen aangevraagd. De Wcw biedt warmtebedrijven ruimte om meerdere bronnen te ontwikkelen en te combineren. De businesscase van het regionale warmtebedrijf houdt rekening met een gefaseerde, risicomijdende ontwikkeling van geothermie.
2.9 In hoeverre wordt er nog verder onderzoek gedaan naar diepe bodemwarmte in de regio rond Leiden?
De regio Holland Rijnland is aangemerkt als een kansrijke geothermieregio. Er lopen diverse onderzoeken en verkenningen, onder meer uitgevoerd door EBN (als landelijke speler) en regionale partijen. In de Samenwerkingsovereenkomst RPIW WLR is de ontwikkeling van lokale duurzame bronnen, waaronder geothermie, expliciet opgenomen als onderdeel van de toekomstige bedrijfsvoering.
2.10 Wat is de beoogde primaire warmtebron voor dit net, en hoe wordt gegarandeerd dat dit toekomstbestendig en CO₂-vrij is?
Per wijk en warmtenet wordt gekeken welke bron het beste past. Dit kan zijn:
- Restwarmte (korte termijn).
- Geothermie (middel- en lange termijn).
- Aquathermie (locatieafhankelijk).
- Lage-temperatuur lokale systemen.
De Wcw schrijft voor dat warmtebedrijven richting 2050 moeten voldoen aan strenge duurzaamheidsnormen, waardoor fossiele bronnen worden uitgefaseerd en duurzame bronnen stapsgewijs worden opgeschaald.
2.11 Is er voldoende aanbod van warmte op het warmtenet?
De verwachting is dat er voldoende warmtepotentieel beschikbaar is, maar dat de bronmix per wijk kan verschillen. WarmtelinQ levert een belangrijke basis, maar aanvullende bronnen zoals geothermie zijn nodig om op de lange termijn voldoende duurzame warmte te leveren. De regionale warmtestrategie gaat daarom uit van een mix van bronnen, afgestemd op de warmtevraag per gebied.
2.12 Remt de ontwikkeling van WarmtelinQ het verder ontwikkelen van mogelijkheden voor geothermie en aquathermie?
Nee. WarmtelinQ voorziet in de korte-termijnbehoefte, terwijl geothermie en aquathermie worden gezien als aanvullende en toekomstbestendige bronnen. In de regionale strategie en in het Globaal Ontwerp wordt expliciet gekozen voor een multi-bronnenstrategie waarin lokale duurzame bronnen juist worden gestimuleerd.
2.13 Er lijkt nog geen keuze te zijn voor de warmtebron. Maar WarmtelinQ wordt al aangelegd. Wat is de stand van zaken?
WarmtelinQ is een transportleiding, geen aanwijzing van één specifieke warmtebron. Gemeenten werken momenteel aan warmteprogramma’s waarin per wijk wordt vastgesteld of een collectieve warmteoplossing geschikt is. De uiteindelijke bronkeuze wordt per wijk gemaakt op basis van technische en financiële haalbaarheid, duurzaamheid en leveringszekerheid. Investeringen in WarmtelinQ betekenen niet dat andere bronnen uitgesloten worden. Daarnaast wordt WarmtelinQ aangelegd om in ieder geval het bestaande net van Vattenfall in Oegstgeest, Leiden en Leiderdorp van warmte te voorzien.
2.14 Waarom niet de Rijn als warmtebron gebruiken?
Warmte uit oppervlaktewater (TEO) zoals de Rijn, Vlietland of het Valkenburgse Meer, is een kansrijke techniek, maar is niet overal toepasbaar. Het vraagt veel ruimte, grote warmtewisselaars en een warmtepompsysteem. In sommige delen van de regio kan TEO een rol spelen; in andere wijken is het technisch of ruimtelijk minder geschikt. Dit wordt per wijk onderzocht in de warmteprogramma’s.
2.15 Wat is het alternatief als geothermie te duur of niet mogelijk blijkt te zijn?
De multi-bronnenstrategie zorgt ervoor dat de regio niet afhankelijk is van één bron. Mogelijke alternatieven zijn:
- Restwarmte via WarmtelinQ,
- Aquathermie,
- Lage-temperatuur lokale netten,
- Opslagtechnieken (WKO)
Het RPIW is expliciet opgezet om bronrisico’s te spreiden.
2.16 Welke bronnen kunnen worden gecombineerd of operationeel gewisseld binnen het multi-bronnenconcept?
Warmtenetten kunnen meerdere bronnen inzetten, bijvoorbeeld:
- Geothermie als basislast,
- Restwarmte of WKO als middenlast,
- Piekvoorzieningen (duurzaam) voor koude dagen.
Het systeem kan worden ontworpen zodat bronnen toegevoegd of gewisseld kunnen worden. Dit maakt het warmtenet toekomstbestendig en minder afhankelijk van één bron. Dit uitgangspunt is vastgelegd in zowel de regionale strategie als in de uitgangspunten voor het RPIW.
3 – (Aanpassen van) Gebouwen en Woningen
3.1 Hoe vindt de verwarming dan plaats in huis? Kunt u dat nader toelichten? Ik heb nu nog gaskachels.
Bij aansluiting op een collectieve warmteoplossing wordt in de woning een warmte-afleverset geplaatst. Deze levert warm water voor verwarming (en eventueel warm tapwater). Wanneer een woning nu losse gaskachels heeft, betekent dit dat er nieuwe leidingen en radiatoren of vloerverwarming nodig zijn. Dat is een grotere aanpassing dan in woningen die al een cv-installatie hebben. In de planvorming per wijk wordt bekeken welke aanpassingen gemiddeld nodig zijn en welke ondersteuning daarvoor beschikbaar is.
3.2 Ik heb even gegoogeld en er zijn dus wel radiatoren nodig (dat bedoelde ik met cv-installatie).
Dat klopt. Een collectieve warmtevoorziening werkt in de woning via een afgiftesysteem, zoals radiatoren of vloerverwarming. Woningen met al een cv-installatie zijn in de regel makkelijker aan te sluiten. Huizen zonder radiatoren (bijvoorbeeld met gaskachels of luchtverwarming) hebben extra aanpassingen nodig. Dit wordt per woningtype in de wijkanalyse meegenomen.
3.3 Ik heb nu geen CV maar luchtverwarming. Het aansluiten van mijn huis heeft dus meer om het lijf dan alleen een andere warmtebron. In hoeverre helpt dit project daarbij?
Voor woningen met luchtverwarming geldt dat een overstap op een warmtenet aanvullende werkzaamheden met zich meebrengt. Per wijk wordt onderzocht welke ondersteuning beschikbaar kan worden gesteld, bijvoorbeeld via landelijke subsidieregelingen voor isolatie en woningaanpassingen. Het warmtenet zorgt voor de bron van duurzame warmte; de aanpassingen in de woning blijven maatwerk en worden in overleg met bewoners verder uitgewerkt tijdens het wijkproces.
3.4 Ik maak nu gebruik van aardgas. Wat kost het om op het warmtenet te gaan en wat moet er aan mijn huis gebeuren?
De kosten hangen af van het woningtype, de status van het afgiftesysteem (radiatoren of niet), en de isolatie. Over het algemeen geldt:
- Er komt een warmte-afleverset in huis;
- Bestaande radiatoren zijn vaak te gebruiken;
- Soms is extra isolatie nodig voor een efficiënte aansluiting;
- De eenmalige aansluitkosten worden per wijk uitgewerkt en vooraf gecommuniceerd.
Landelijke subsidies (zoals ISDE) kunnen helpen bij woningaanpassingen. Gemeenten en het regionale warmtebedrijf onderzoeken daarnaast mogelijkheden voor aanvullende ondersteuning.
3.5 Is elke woning geschikt voor deze warmte en hoe gaat het met koopwoningen in de bestaande bouw en de kosten?
In principe kan bijna elke woning worden aangesloten op een collectieve warmtevoorziening, maar de benodigde aanpassingen verschillen per woning. Oudere woningen hebben soms isolatiemaatregelen nodig om comfortabel en efficiënt te kunnen worden verwarmd. De kosten en mogelijke subsidies worden vooraf per wijk inzichtelijk gemaakt. Voor koopwoningen geldt dat de woningeigenaar hierover zelf een besluit neemt.
3.6 Je kunt ook een elektrische cv nemen, die veel goedkoper is dan een warmtepomp.
Een elektrische cv-ketel gebruikt volledig elektriciteit om water te verwarmen. Daardoor is het energiegebruik hoog en is het systeem in de praktijk vaak duurder in gebruik. Dit is ook regelmatig niet haalbaar vanwege de capaciteit van het elektriciteitsnet. Gemeenten kijken per wijk welke alternatieven het best passen, waarbij betaalbaarheid en energieverbruik belangrijke criteria zijn.
3.7 Kritisch: Wat zijn de minimale isolatie-eisen om efficiënt aan te sluiten? En als wij als wijk willen inzetten op Zeer Lage Temperatuur (ZLT), staat het publieke warmtebedrijf dit dan toe?
Voor lage- of zeer-lage temperatuurnetten is goede isolatie noodzakelijk, omdat de temperatuur van de aangeleverde warmte lager is dan bij een midden temperatuurnet. Per wijk wordt bepaald of ZLT-techniek passend en haalbaar is. De Wet collectieve warmte staat ZLT toe, en het publieke warmtebedrijf kan dit inzetten wanneer dit de beste oplossing is. De keuze wordt gemaakt op basis van techniek, kosten, duurzaamheid en draagvlak.
3.8 Moet je een cv-aansluiting hebben voor het warmtenet? Wat als je die niet hebt?
Een warmte-afleverset werkt samen met een afgiftesysteem zoals radiatoren of vloerverwarming. Huizen zonder cv-leidingen hebben aanvullend binnenwerk nodig, bijvoorbeeld het aanbrengen van radiatoren en leidingen. Dit wordt in het wijkproces geïnventariseerd en vooraf duidelijk gemaakt aan bewoners.
3.9 Welk warmtevermogen wordt aangeleverd per huis?
Een warmtenet levert voldoende vermogen om aan de reguliere warmtevraag van woningen te voldoen, conform de landelijke technische normen. De exacte capaciteit verschilt per type net (MT, LT of ZLT) en wordt afgestemd op de warmtevraag van de wijk. Voor bewoners is het belangrijkste dat het vermogen vergelijkbaar is met dat van een moderne hr-ketel.
3.10 Ik heb geen radiatoren.
Als u geen radiatoren heeft (bijvoorbeeld door gaskachels of luchtverwarming), betekent dit dat er aanpassingen in het afgiftesysteem nodig zijn om een aansluiting op het warmtenet mogelijk te maken. Dit kan gaan om het installeren van radiatoren, vloerverwarming of een combinatie daarvan. In de wijkgerichte aanpak wordt per woningtype in kaart gebracht wat hiervoor nodig is en welke ondersteuning mogelijk is.
4 – Participatie met de bewoners
4.1 De wijk Rijndijk in Zoeterwoude is aangewezen om op het warmtenet over te gaan. Moet ik hier dan als bewoner (eigen privé huis) verplicht aan meedoen of kan ik op aardgas blijven?
Nee, u bent als woningeigenaar niet verplicht om aan te sluiten op een collectieve warmteoplossing. De Wcw en de Wgiw geven bewoners keuzevrijheid: wie niet wil aansluiten, mag een eigen duurzaam alternatief realiseren. Wel dient dit een aardgasvrije oplossing te zijn omdat het gastransport uiteindelijk wordt beëindigd. Dit gebeurt alleen als voldoende mensen een alternatief op aardgas hebben gerealiseerd. De gemeente zal hier vroegtijdig informatie over geven.
4.2 Exit-strategie: Wat gebeurt er als wij als huishouden, na aansluiting, later willen overstappen op een eigen oplossing, zoals een all-electric warmtepomp? Is dit technisch en financieel mogelijk?
Het is technisch mogelijk om later voor een individuele oplossing te kiezen. Dat betekent wel dat u de aansluiting op het warmtenet beëindigt en zelf verantwoordelijk bent voor:
- De aanschaf en installatie van het nieuwe systeem,
- Eventuele aanpassingen in de woning,
- En het voldoen aan de wettelijke energie-eisen.
Het beëindigen van een warmteleveringsovereenkomst kan gepaard gaan met administratieve kosten of afkoop van contractuele verplichtingen. Deze voorwaarden worden vooraf vastgelegd in de aansluit- en leveringsdocumenten, zodat bewoners dit vooraf weten.
4.3 Heeft er een verkenning plaatsgevonden van burgers die mee willen doen met de transitie?
Ja. In eerdere fases van het Programma Warmte Leidse Regio en binnen de afzonderlijke gemeenten zijn gesprekken met bewoners, energiecoöperaties en lokale initiatieven gevoerd. Daarnaast worden in elke wijk participatietrajecten opgezet zodra een wijk aan de beurt is. Het doel daarvan is om inzicht te krijgen in:
- De bereidheid om aan te sluiten.
- Zorgen of vragen van bewoners.
- En initiatiefgroepen die willen meedenken of bijdragen.
Dit wordt meegenomen in het warmteprogramma van de gemeenten.
4.4 Hoe zit het als ouders op leeftijd (bijv. 80+) geen verbouwing meer willen?
De wijkgerichte aanpak houdt rekening met bewoners die niet in staat zijn of geen wens hebben om een verbouwing te laten uitvoeren. Bewoners worden niet verplicht tot deelname. Wie niet mee wil doen, kan blijven wonen zoals nu en later kiezen voor een eigen duurzaam alternatief, bijvoorbeeld wanneer de situatie of woning verandert. Gemeenten kijken daarnaast naar mogelijkheden voor ondersteuning bij woningaanpassingen voor mensen die dat willen of nodig hebben.
4.5 Ik heb net een nieuwe cv-ketel gekocht. Kan ik dan veel later meedoen zodat ik mijn ketel heb terugverdiend?
Het aanleggen van een warmtenet gebeurt per straat en per buurt. Hierover wordt vooraf gecommuniceerd, zodat u ruim de tijd heeft daar een besluit over te nemen. Op het moment van aanleg gaat de straat open en worden de woningen die dat willen aangesloten op het warmtenet. Woningen die op dat moment (nog) niet willen aansluiten worden daar waarschijnlijk ook niet op voorbereid. Als u als bewoner op een later moment wilt aansluiten, dan moet die aansluiting speciaal voor uw woning gemaakt worden. Dat is technisch waarschijnlijk wel mogelijk, maar veel lastiger te realiseren. De consequentie kan zijn dat dit voor u (veel) hogere kosten vraagt om aan te sluiten dan op het moment dat het warmtenet wordt aangelegd.
4.6 Kunnen huiseigenaren verplicht worden om over te gaan naar het warmtenet?
Nee. Een woningeigenaar kan niet verplicht worden om aan te sluiten op een warmtenet. Wat gemeenten wel kunnen doen, is op termijn besluiten dat de gaslevering in een wijk stopt (Wgiw). Op dat moment moet elke woning een duurzame warmtevoorziening hebben, maar bewoners houden keuzevrijheid in welke oplossing ze daarbij toepassen.
4.7 Open Netwerk: Wordt het netwerk open voor derden? Kunnen lokale initiatieven duurzame warmte opwekken en tegen een redelijk tarief in het netwerk injecteren?
Onder de Wcw is het warmtenet geen open transportnet zoals elektriciteit of gas. Wel kunnen warmtebedrijven samenwerken met lokale initiatieven en warmtegemeenschappen, zoals coöperaties. Het RPIW kan warmte inkopen van derden wanneer dit technisch en financieel haalbaar is, en wanneer dit bijdraagt aan de duurzaamheid van de bronmix. Dit wordt per project bekeken. De wet biedt ruimte voor samenwerking, maar de verantwoordelijkheid voor de leveringszekerheid ligt altijd bij het aangewezen warmtebedrijf.
5 – Gemeentelijke plannen (Warmteprogramma)
5.1 De wijken die niet in de eerste onderzoeken of warmtetransvisies als kansrijk voor een warmtenet zijn benoemd—moeten die ervan uitgaan dat daar geen warmtenet komt?
Nee. De eerdere verkenningen waren een eerste indicatie op basis van toen beschikbare gegevens. Gemeenten werken nu aan de warmteprogramma’s, waarin actuele data, technische inzichten en nieuwe bronnen worden meegenomen. Een wijk die eerder niet als kansrijk werd gezien, kan dat in de toekomst wel worden, en andersom. Dit wordt de komende jaren verder uitgewerkt.
5.2 Er staan wijken ingetekend voor 2025/2030. Is dit nog haalbaar nu we al bijna in 2026 zitten?
De genoemde jaartallen zijn indicatieve planningen. Gemeenten verfijnen deze planningen in de warmteprogramma’s. De daadwerkelijke realisatie is afhankelijk van onder meer participatie, techniek, vergunningen en beschikbaar personeel. Hierdoor kunnen tijdslijnen worden aangepast.
5.3 Gezien alle uitdagingen: is overstappen voor 2030 haalbaar?
Het doel blijft om uiterlijk in 2030 duidelijkheid te geven aan bewoners in de eerste wijken. Of daadwerkelijk voor 2030 overal kan worden omgeschakeld, hangt af van lokale omstandigheden. Gemeenten en het RPIW werken eraan om dit zorgvuldig en stapsgewijs te doen.
5.4 In welke gemeente en in welke wijk wordt als eerste van het gas gegaan?
Dat staat nog niet vast. Gemeenten stellen eerst hun warmteprogramma’s op. Op basis daarvan wordt bepaald welke wijken het meest kansrijk zijn, bijvoorbeeld door een hoge warmtevraag, aanwezige bronnen, of omdat bewoners al actief samenwerken. Zodra dit per gemeente is vastgesteld, wordt dit gecommuniceerd.
5.5 Is het mogelijk eerst op verwarming over te gaan en later pas op elektrisch koken?
Ja. Verwarming en koken zijn gescheiden onderdelen. Veel huishoudens stappen eerst over op een duurzame warmteoplossing en houden nog een kookgas-aansluiting totdat dat technisch of praktisch wordt aangepakt. Gemeenten geven vooraf duidelijk aan tot wanneer dit kan.
5.6 We zijn al in 2026 en er zijn veel uitdagingen. Wat is het risico op vertraging?
Het risico op vertraging is aanwezig, onder andere door:
- Netcongestie (elektriciteit).
- Beschikbaarheid van aannemers.
- Vergunningprocedures.
- Ontwikkelingen in landelijke regelgeving (Wcw/Wgiw).
- En beschikbaarheid van bronnen.
Gemeenten houden bij het opstellen van hun warmteprogramma’s rekening met deze factoren en passen planningen aan waar nodig.
5.7 Zijn er genoeg aannemers en bedrijven om de werkzaamheden voor 2050 te voltooien?
De arbeidsmarkt is een bekende uitdaging in heel Nederland. De komende jaren wordt er landelijk en regionaal geïnvesteerd in opleidingen en om personeelstekorten te verminderen. Warmtenetten en verduurzaming lopen gefaseerd tot 2050, waardoor de werkzaamheden over een lange periode worden verdeeld.
5.8 Is er tot 2050 gas beschikbaar in Zoeterwoude?
Ja. De landelijke overheid sluit niet op korte termijn gas af. Gemeenten kunnen op termijn besluiten om het gastransport naar een specifieke wijk eerder dan 2050 te beëindigen. Als die keuze door de gemeente wordt gemaakt gebeurt dit altijd met ruime voorbereidingstijd, bewonersparticipatie en voldoende aanbod van alternatieven. Tot dat moment blijft gas beschikbaar.
5.9 Denemarken is veel verder. Worden die ervaringen benut?
Ja. Zowel de rijksoverheid als regionale partijen maken gebruik van internationale kennis, waaronder ervaringen uit Denemarken, Zweden en Duitsland. Elementen zoals publieke warmtebedrijven, langetermijnplanning en brondiversiteit worden actief meegenomen in de Nederlandse uitwerking.
5.10 Hoe worden ervaringen uit andere regio’s in Zuid-Holland meegenomen? Is er centrale regie?
De provincie Zuid-Holland werkt aan een provinciale warmtestructuur, en er is intensief overleg tussen warmteclusters. Ook landelijk is er afstemming via de Rijksoverheid en EBN (beoogde Nationale Deelneming Warmte). Hierdoor worden ervaringen, knelpunten en oplossingen gedeeld tussen regio’s.
5.11 Complimenten voor Zoeterwoude. De meeste deelnemers en actieve communicatie!
Dank voor deze opmerking. De gemeente Zoeterwoude zet actief in op samenwerking met bewoners en ziet veel betrokkenheid in de buurt.
5.12 De rol van de gemeente: wordt de gemeente zowel toezichthouder als eigenaar?
De gemeente wordt geen toezichthouder van het warmtebedrijf. De ACM (Autoriteit Consument & Markt) houdt toezicht op tarieven en betrouwbaarheid. Gemeenten kunnen wel aandeelhouder zijn van het regionale warmtebedrijf, maar dat is een andere rol dan toezicht. De Wcw regelt een duidelijke scheiding tussen toezicht, vergunningverlening en eigenaarschap.
5.13 Geeft de gemeente voorrang aan lokaal eigenaarschap of moet dat wijken voor de businesscase van het publieke warmtebedrijf?
Gemeenten staan positief tegenover lokale initiatieven. De Wcw geeft echter aan dat het warmtebedrijf verantwoordelijk is voor de leveringszekerheid en betaalbaarheid. Er moet dus altijd een zorgvuldige afweging plaatsvinden tussen lokale initiatieven en het belang van alle inwoners van een gemeente. Lokale initiatieven kunnen worden betrokken wanneer dit technisch, financieel en organisatorisch passend is binnen een wijkoplossing. Per gebied moet worden geïnventariseerd of er naast het regionale warmtebedrijf ook een warmtegemeenschap actief is die de rol van warmtebedrijf op zich kan en wil nemen. Als er een warmtegemeenschap actief is dan dient te worden bepaald of het regionale warmtebedrijf, de warmtegemeenschap of een samenwerkingsvorm de beste partij is. De gemeente heeft daarnaast de mogelijkheid om, als het om minder dan 1500 woningen gaat, een ontheffing te verlenen waardoor een lokaal initiatief de mogelijkheid krijgt om zelf aan de slag te gaan met een warmteoplossing.
5.15 Hoe veel mensen zijn er überhaupt?
Het webinar is gevolgd door 210 deelnemers.
5.16 Hoe vindt afstemming plaats tussen de regionale verkenning en lokale studies, zoals nu in de Merenwijk?
De regionale analyses (Warmte Leidse Regio) geven een kader op hoofdlijnen. Gemeenten maken vervolgens lokale, gedetailleerde wijkanalyses. Wanneer er lokale studies plaatsvinden (zoals in de Merenwijk), worden de uitkomsten daarvan verwerkt in het gemeentelijk warmteprogramma én afgestemd met de regionale kaders.
5.17 Hoe worden bewonersinitiatieven ondersteund?
Gemeenten bepalen ieder zelfstandig op welke wijze zij bewonersinitiatieven ondersteunen. Dit kan onder andere gaan om het bieden van ondersteuning in de vorm van:
- Informatie en advies.
- Toegang tot experts.
- Koppeling met subsidies.
- Afstemming met het regionale warmtebedrijf wanneer relevant.
Initiatieven worden per wijk beoordeeld en waar mogelijk ingepast in de warmtestrategie.
5.18 Oegstgeest had eerder zorgen over de snelheid. De wethouder lijkt nu positief. Hoe zit dat?
Het is logisch dat gemeenten kritisch zijn op tempo en zorgvuldigheid. Na aanvullende analyses en gesprekken binnen de regio is meer duidelijkheid ontstaan over de stappen, planning en samenwerking. Daarnaast is voor de kwartiermakersfase aangegeven dat het proces zorgvuldig moet worden ingericht met voldoende aandacht voor de stappen die iedere deelnemende partij, dus ook de gemeente, moet zetten. Dit samen geeft nu voldoende vertrouwen om in ieder geval de volgende stap te zetten en te blijven werken aan de vormgeving van een regionaal warmtebedrijf.
5.19 Is er in de aanpak ruimte voor particuliere (buurt)initiatieven?
Ja. De Wcw laat ruimte voor samenwerking met warmtegemeenschappen en buurtinitiatieven, zolang de leveringszekerheid en het publieke belang zijn geborgd. Gemeenten betrekken initiatieven daarom in de wijkprocessen. De gemeente heeft daarnaast de mogelijkheid om, als het om minder dan 1500 woningen gaat, een ontheffing te verlenen waardoor een lokaal of buurt initiatief de mogelijkheid krijgt om zelf aan de slag te gaan met een warmteoplossing.
5.20 Als een wijk al werkt aan een eigen alternatief (zoals een coöperatief ZLT-net), gaat het publieke warmtebedrijf dan concurreren of samenwerken?
Het doel is samenwerking, niet concurrentie. Als een lokaal initiatief voldoet aan de technische, financiële en wettelijke eisen, kan het warmtebedrijf samen optrekken. Per geval wordt door de gemeente bekeken hoe dit past binnen de wijkoplossing en de wettelijke verantwoordelijkheid voor leveringszekerheid. De gemeente heeft daarnaast de mogelijkheid om, als het om minder dan 1500 woningen gaat, een ontheffing te verlenen waardoor een lokaal initiatief de mogelijkheid krijgt om zelf aan de slag te gaan met een warmteoplossing.
5.21 Op tekeningen staat Hoge Rijndijk Noord in Zoeterwoude genoemd tot 2030, maar bewoners zijn nog nooit betrokken. Hoe kan dat?
De gemeente is begonnen met participatie in de buurten die samen het hart van de wijk vormen: Hoge Rijndijk Oost, Rijnegom en De Goede Herder. Nu het project meer vorm krijgt worden voortaan ook de bewoners van de overige buurten betrokken: Hoge Rijndijk Noord en Meerburg. Het is goed om te vermelden dat de getoonde tekeningen verkennende kaarten zijn en geen projectbesluiten. Deze kaarten zijn bedoeld voor regionale afstemming en planning.
5.22 Vraag aan de wethouder Leiden: in het centrum komt geen stadswarmte. Kan het publieke warmtebedrijf kleinschalige initiatieven in het centrum ondersteunen?
Dat is mogelijk. Het publieke warmtebedrijf kan, naast grotere collectieve netten, ook kleinschalige oplossingen faciliteren wanneer die bijdragen aan de lokale warmtetransitie. Gemeenten kunnen dit in hun warmteprogramma opnemen.
5.23 Waarom gaat de bakfiets op een doordeweekse dag op pad in Zoeterwoude?
De duurzaamheidsbakfiets wordt gebruikt om bewoners op laagdrempelige wijze te informeren, vragen te beantwoorden en materialen te verspreiden. Dit gebeurt op momenten waarop bewoners doorgaans thuis of in de wijk aanwezig zijn.
5.24 Waarom heeft Zoeterwoude zoveel deelnemers vergeleken met andere gemeenten?
Zoals u begrijpt is het voor ons lastig om precies te verklaren hoe dit komt. Zoeterwoude is een kleine gemeente die dicht op haar inwoners staat. Zoeterwoude zet dan ook relatief veel communicatiemiddelen in. Zo hebben de inwoners van startwijk Zoeterwoude-Rijndijk voorafgaand aan het webinar een brief met informatie van de gemeente ontvangen.
5.25 Wie heeft het formele recht om de gastoevoer naar woningen af te sluiten?
Het gasnetbedrijf (netbeheerder) heeft formeel het recht om de gastoevoer (op termijn) te beëindigen, maar dit gebeurt alleen:
- Na een besluit van de gemeente (Wgiw).
- Met ruime aankondiging vooraf.
- En wanneer er een werkend, duurzaam alternatief beschikbaar is.
5.26 Wordt voor alle wijken nu al vastgesteld wanneer zij van het gas af gaan?
Nee. De gemeenten stellen op dit moment warmteprogramma's op waarin ze in ieder geval de komende 10 jaar vooruitkijken, dat betekent dat mogelijk niet alle wijken binnen een gemeente worden opgenomen. Deze programma's zullen iedere vijf jaar herijkt moeten worden. In de warmteprogramma’s wordt per wijk bepaald:
- Wanneer de gemeente besluit over een warmteoplossing.
- Wat het alternatief voor gas wordt.
- En op welke termijn dat wordt ingevoerd.
Hierdoor kunnen bewoners tijdig beslissen over tussenoplossingen, zoals een hybride warmtepomp. In welke wijken de aanwijsbevoegdheid wordt toegepast (afsluiten van aardgas), moet per gemeente in het in het warmteprogramma worden opgenomen. De aanwijzing van aardgasvrije wijken wordt juridisch bindend zodra de gemeenteraad (een wijziging van) het omgevingsplan vaststelt.
6 – Regionaal Warmtebedrijf Leidse Regio
6.1 Wordt er één of meer warmtebedrijven opgericht?
Het doel is om één Regionaal Publiek Integraal Warmtebedrijf (RPIW) op te richten voor de Leidse regio. In de Samenwerkingsovereenkomst staat dat dit warmtebedrijf gezamenlijk eigendom wordt van de deelnemende gemeenten, EBN en Firan. Hiermee ontstaat één regionale organisatie die verantwoordelijk wordt voor de ontwikkeling, aanleg en exploitatie van collectieve warmteprojecten in de regio.
In Leiden loopt er een project voor Leiden Zuidwest om te onderzoeken of het mogelijk is om een warmtenet aan te leggen. Om dat dit project mogelijk vooruitloopt op de oprichting van het regionale warmtebedrijf is er in Leiden sprake van dat er een lokaal warmte bedrijf wordt opgericht dat later opgaat in het regionale warmtebedrijf.
6.2 Is het de bedoeling dat het warmtebedrijf eigenaar wordt van warmtenetten, of ligt dat eigendom elders?
Het uitgangspunt is dat het RPIW eigenaar wordt van nieuwe warmtenetten die binnen het publieke model worden ontwikkeld. Voor bestaande netten (zoals het net van Vattenfall) geldt dat het eigendom nu bij de huidige exploitant ligt. Het RPIW kan daarnaast samenwerken met derden wanneer dat praktisch en financieel passend is.
6.3 Dan zijn we niet afhankelijk van één commercieel productie- en opslagbedrijf?
Het publieke warmtebedrijf vergroot de publieke zeggenschap over warmte-infrastructuur. Door een multi-bronnenstrategie en publiek eigenaarschap is de regio minder afhankelijk van één commerciële leverancier. De Wcw verplicht warmtebedrijven bovendien om hun bronnenmix te verduurzamen en te zorgen voor leveringszekerheid.
6.4 Is het niet beter om eerst het warmtenet van Vattenfall over te nemen en daarna pas een publiek warmtebedrijf te starten?
Het oprichten van het RPIW en het eventueel overnemen van bestaande netten zijn twee verschillende trajecten. Het bestaande Vattenfall net is privaat eigendom. Overnames zijn alleen mogelijk wanneer beide partijen dit willen én wanneer dit juridisch en financieel verantwoord is.
6.5 Waarom heb ik de indruk dat de 50% eigendom bedoeld is voor lokale partijen? Dat is anders dan “publieke partijen”. Wat zegt de wet hierover?
De Wcw bepaalt dat warmtebedrijven meer dan 50% publiek eigendom moeten hebben. “Publiek” betekent:
- Gemeenten
- Provincies
- Het Rijk
- En andere 100% publieke ondernemingen, zoals bijvoorbeeld waterschappen, EBN of Firan.
Het gaat dus niet specifiek om lokale partijen, maar om publieke zeggenschap.
Daarnaast wordt in het Klimaatakkoord gestreefd naar 50% lokaal eigendom. Die beleidsafspraak gaat over de opwek van hernieuwbare energie (zon en wind) waarbij gestreefd wordt naar 50% lokaal eigendom.
6.6 Waarom zijn burgers en energiecoöperaties niet als aandeelhouders genoemd?
Bij de oprichting is ervoor gekozen om de groep met aandeelhouders te laten bestaan uit de initiatiefnemers, de gemeenten en EBN en Firan. Burgers en energiecoöperaties zijn daarmee formeel vooralsnog geen aandeelhouder in het bedrijf.
6.7 Bestuur en eigenaarschap: Hoe is het bestuur samengesteld? Krijgen burgers of coöperaties een rol in het bestuur, de RvC of de aandeelhoudersvergadering?
Nee, dat is niet het geval. De formele bestuursorganen van het RPIW bestaan uit:
- Een bestuur (operationele leiding door een directeur).
- Een Raad van Commissarissen (is een optie).
- Een Algemene Vergadering van Aandeelhouders (alleen publieke eigenaren, voorzien is dat de zes gemeenten, EBN en Firan aandeelhouder worden van het RPIW).
Burgers kunnen bijvoorbeeld betrokken worden via:
- Bewonerspanels.
- Participatieprocessen per wijk.
- Samenwerking met lokale initiatieven.
- Of een in te stellen raad van advies.
6.8 Rol van de coöperatie: Wordt een lokale energiecoöperatie gezien als concurrent of als partner?
Lokale initiatieven worden gezien als partners, maar kunnen ook zelfstandig opereren. De keuze daarvoor is helemaal aan lokale initiatieven, die kunnen daar afspraken over maken met hun gemeente. Wanneer lokale initiatieven bijdragen aan de warmteoplossing in een wijk. Kan een partnerschap met het RPIW ontstaan, als dat wenselijk is. Coöperaties kunnen o.a. een rol spelen bij:
- Bewustwording en participatie.
- Isolatie- en besparingsprojecten.
- Het inbrengen van lokale duurzame warmte (wanneer dit technisch en financieel past).
- Ondersteuning van bewoners bij keuzes.
Het RPIW moet voldoen aan wettelijke eisen voor leveringszekerheid; samenwerking is dus mogelijk binnen die kaders. De gemeente heeft daarnaast de mogelijkheid om, als het om minder dan 1500 woningen gaat, een ontheffing te verlenen waardoor een lokaal initiatief de mogelijkheid krijgt om zelf aan de slag te gaan met een warmteoplossing. In dat geval is er geen sprake van concurrentie, maar ook niet van partnerschap.
6.9 Kan een lokale coöperatie aandelen kopen in het publieke warmtebedrijf?
Volgens de wet moet een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang direct of indirect meer dan 50% van de aandelen worden gehouden door de Staat, provincie, gemeente of ander openbaar lichaam. Het is dus mogelijk dat een deel van de aandelen (tot maximaal 49,9%) bijvoorbeeld in handen zijn van een lokale coöperatie.
6.10 Hoe kunnen bewoners invloed uitoefenen op het beleid van het nieuwe publieke warmtebedrijf?
Bewoners worden betrokken via:
- De participatieprocessen in elke wijk.
- Consultaties bij warmteprojecten.
- En via lokale initiatieven en coöperaties.
Daarnaast worden besluiten van het warmtebedrijf democratisch gecontroleerd via de deelnemende gemeenten.
6.11 Kunnen burgers nog wel eigenaar zijn van hun eigen warmtenet?
Ja, dat kan. Dat is mogelijk als ze georganiseerd zijn als een warmtegemeenschap of als klein collectief warmtesysteem (max 1.500 verbruikers) in de zin van de Wcw.
6.12 Dus burgers kunnen niet deelnemen in het warmtebedrijf. Worden zij alleen gezien als consumenten?
Het RPIW is een besloten vennootschap. Zolang de meerderheid van de aandelen in publieke handen is, zie vraag 6.9, is het mogelijk dat derden ook aandelen houden. Dat kunnen in principe ook burgers zijn.
6.13 Hoe wordt voorkomen dat Alliander en het Rijk als meerderheid het belang van de gemeenten overrulen?
De aandeelhoudersstructuur is zo ingericht dat:
- Gemeenten gezamenlijk 33⅓% van de aandelen hebben.
- EBN 33⅓% en Firan 33⅓%.
In de Aandeelhoudersovereenkomst worden besluitvormingsregels vastgelegd die voorkomen dat de gemeenten buitenspel worden gezet.
6.14 Kan het publieke warmtebedrijf ook kleinschalige initiatieven ondersteunen, zoals in het Leidse centrum waar geen stadswarmte komt?
Ja. Het publieke warmtebedrijf kan ook kleinschalige warmteoplossingen ondersteunen, bijvoorbeeld bij:
- Technische expertise.
- Projectontwikkeling en -realisatie.
- Of samenwerking bij lokale bronnen.
Gemeenten kunnen dit opnemen in hun warmteprogramma’s, zodat ook gebieden zonder groot warmtenet worden geholpen. Bovendien is dit opgenomen in het Globaal Ontwerp van het warmtebedrijf.
6.15 Waar moet het technisch personeel vandaan komen?
De energietransitie vraagt om veel technisch personeel. Gemeenten, de Rijksoverheid en netwerkbedrijven investeren daarom in:
- Regionale opleidingsprogramma’s.
- Samenwerking met mbo- en hbo-instellingen.
- Zij-instroomprogramma’s.
- En langdurige planning zodat werkzaamheden worden gespreid tot 2050.
Het RPIW werkt met bestaande marktpartijen en uitvoerende bedrijven voor de realisatie.
7 – Financieel
7.1 Zijn er kosten voor aansluiting bij koopwoningen?
Ja. Voor koopwoningen gelden eenmalige aansluitkosten en eventuele kosten voor aanpassingen in de woning. De hoogte hiervan wordt per wijk vooraf duidelijk gemaakt. Landelijke subsidies kunnen helpen bij isolatie of woningaanpassingen. Eigenaar-bewoners beslissen zelf of zij aansluiten.
7.2 Ik maak mij zorgen om de kosten. Ik kook op gas en heb een nieuwe cv-ketel gekocht. Word ik gecompenseerd via subsidies?
Het aanschaffen van een cv-ketel betekent niet dat deze direct moet worden vervangen. Tot het moment dat gas in een wijk wordt uitgefaseerd kunt u de ketel blijven gebruiken. Voor woningaanpassingen zoals isolatie bestaan landelijke ISDE-subsidies. Gemeenten onderzoeken daarnaast welke aanvullende ondersteuning mogelijk is.
7.3 Als het warmtepomp-scenario goedkoper blijkt, wordt het MT-warmtenet dan gestopt?
Gemeenten kiezen per wijk de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten. Als een individuele oplossing zoals een (hybride) warmtepomp beter past bij de wijk, kan dat worden gekozen. Warmtenetten worden alleen aangelegd waar ze technisch en financieel de beste oplossing zijn.
7.4 Wie betaalt de eenmalige aansluitkosten? Zijn deze gelijk in de hele regio?
Aansluitkosten verschillen per wijk en per type woning, afhankelijk van:
- Afstand tot het netwerk en e bronnen.
- Lokale infrastructuur.
- Technische eisen van het project.
Voorafgaand aan het wijkbesluit worden de kosten transparant gemaakt en besproken met bewoners. Of deze aansluitkosten gelijk zijn in de regio weten we nog niet. Tijdens de kwartiermakersfase wordt nader gekeken naar het vaststellen van warmtekavels, die zijn onder andere bepalend voor de aansluitkosten.
7.5 Leiden zegt dat 80% deelname nodig is. Maar dat wordt nooit gehaald, en 50% zou al te weinig zijn. Hoe zit dat?
Een hoge deelname helpt om een betaalbare businesscase te maken. Het genoemde percentage is een indicatie en geen verplichting. Per wijk wordt bekeken wat haalbaar is op basis van:
- Warmtevraag.
- Kosten.
- Beschikbaarheid van bronnen.
- En bewonersinteresse.
Een project gaat alleen door als de financiële haalbaarheid aantoonbaar is. Daarnaast worden deze cijfers in de kwartiermakersfase nog verder bekeken en aangescherpt of aangepast waar nodig.
7.6 Er is een flinke onrendabele top. Wat doen jullie samen met andere regio’s richting het Rijk om dit te dichten?
Gemeenten en warmteclusters trekken gezamenlijk op om structurele financiering te verkrijgen. Onderwerpen daarbij zijn:
- Uitbreiding van landelijke subsidies.
- Invoering van een waarborgfonds.
- Betere risicoverdeling.
- En ondersteuning in de startfase van warmtebedrijven.
Het publieke warmtebedrijf werkt hierin samen met provincie en Rijk.
7.7 Wie garandeert dat vroege overstappers niet de hoogste kosten betalen?
Het principe is dat kosten evenwichtig en transparant worden verdeeld. De Wcw geeft de ACM een toezichthoudende rol op tarieven. Tarieven worden niet bepaald op basis van moment van aansluiten, maar op basis van de werkelijke kosten van het warmtenet.
7.8 Hoe houdt de gemeente het betaalbaar voor bewoners, inclusief subsidies?
Betaalbaarheid is een van de publieke waarden die in de regio centraal staan. Gemeenten zetten in op:
- Landelijke subsidies,
- Mogelijke regionale regelingen,
- Realistische fasering per wijk,
- En een publiek warmtebedrijf dat zonder winstoogmerk werkt.
Isolatie en besparing worden daarnaast gestimuleerd om de totale kosten te verlagen.
7.9 Hoe worden de kosten voor kwetsbare huishoudens beperkt?
Gemeenten kijken naar mogelijkheden voor:
- Energiearmoede-aanpak.
- Ondersteuning bij isolatie.
- Gerichte subsidies.
- En begeleiding bij keuzes.
Doel is dat ook kwetsbare huishoudens kunnen meedoen op een manier die financieel haalbaar is.
7.10 Wat als de aanlegkosten van het net hoger uitvallen dan begroot?
In dat geval moet het publieke warmtebedrijf een aangepast financieel plan opstellen. Tarieven worden gereguleerd door de ACM; onverwachte kosten mogen niet zomaar worden doorberekend. De aandeelhouders (gemeenten, EBN, Firan) beslissen samen hoe hier mee om te gaan.
7.11 Hoe wordt voorkomen dat politieke belangen zwaarder wegen dan financiële belangen van afnemers?
De Wcw scheidt verantwoordelijkheden:
- Gemeenten beslissen over het warmteprogramma.
- De ACM bewaakt tarieven en betaalbaarheid.
- Het warmtebedrijf moet een gezonde businesscase laten zien.
Hierdoor worden beslissingen niet alleen politiek genomen, maar op basis van financiële en technische onderbouwing.
7.12 Wanneer worden de warmtetarieven losgekoppeld van de gasprijs? Kan dit duurder zijn?
De Wcw voorziet in een nieuw tariefstelsel dat niet meer afhankelijk is van de gasprijs. De ACM werkt dit uit. De bedoeling is een kosten gebaseerd systeem dat betaalbaarheid en transparantie verbetert. Of dit duurder of goedkoper uitvalt hangt af van de werkelijke kosten van warmteprojecten.
7.13 Hoe zeker is het dat er subsidies komen vanuit de overheid?
Op dit moment bestaan er al subsidies zoals ISDE (isolatie, warmtepompen), SVOH en SAH (voor corporaties) en BZK-regelingen voor warmtenetten. De rijksoverheid werkt daarnaast aan aanvullende financieringsinstrumenten. Exacte bedragen per wijk kunnen pas worden vastgesteld wanneer de warmteprogramma’s gereed zijn.
7.14 Onze wijk staat voor 2030 ingetekend. Hoe zit dat met subsidies?
Voorafgaand aan het wijkbesluit wordt duidelijk gemaakt welke subsidies en regelingen op dat moment beschikbaar zijn. Bewoners worden hierover tijdig geïnformeerd, zodat keuzes op basis van actuele informatie kunnen worden gemaakt.
7.15 Hoeveel gaat warmte kosten, vergeleken met een lucht-water warmtepomp? Hoe kan een 70°C-leiding concurreren?
De kosten hangen af van:
- Isolatie van de woning,
- De bronmix,
- De tarieven van het warmtebedrijf,
- Kosten voor elektriciteit,
- En investeringen in apparaten.
Warmtenetten worden alleen toegepast waar dit tot lagere maatschappelijke kosten leidt dan andere alternatieven. In nieuwere netten wordt bovendien steeds vaker gewerkt met lagere temperaturen, afhankelijk van de wijk.
7.16 Is er garantie dat de kosten vergelijkbaar zijn met gas? Stadverwarming was vaak duurder.
Het nieuwe tariefstelsel onder de Wcw is gericht op betaalbaarheid en transparantie. De ACM bepaalt maximale tarieven op basis van werkelijke kosten. Publieke warmtebedrijven mogen geen winstmaximalisatie nastreven, waardoor prijzen stabieler worden.
7.17 Zijn er gemeentelijke subsidies voor warmtepompen?
Sommige gemeenten bieden aanvullende subsidie of ondersteuning, maar de meeste regelingen zijn landelijk (ISDE). Per wijk wordt aangegeven welke instrumenten van toepassing zijn.
7.18 Komt er subsidie van gemeente Leiden voor radiatoren als aanpassing voor warmtenet?
Gemeente Leiden onderzoekt dit per wijk. Aanpassingen aan het afgiftesysteem vallen meestal onder woning gebonden investeringen. Mogelijke ondersteuning wordt vooraf gecommuniceerd bij het wijkbesluit.
7.19 Kosten zijn belangrijk en hoge deelname is nodig. Kunnen jullie deelname verplichten en bij hoge deelname lagere tarieven bieden?
Deelname kan niet verplicht worden. Wel geldt: hoe meer mensen meedoen, hoe lager de kosten per aansluiting kunnen uitvallen. Het warmtebedrijf mag echter geen tarieven per groep variëren; tarieven worden door de ACM gereguleerd.
7.20 Hoe garandeert u dat tarieven lager blijven dan gas (“Niet-Meer-Dan-Anders”)?
Het NMDA-principe wordt vervangen door een kosten gebaseerd tariefstelsel. De ACM bepaalt de maximale tarieven, gebaseerd op:
- Investeringen.
- Operationele kosten.
- Afschrijvingen.
- En een publiek, beperkt rendement.
Dit moet zorgen voor een eerlijke prijs.
7.21 Hoe wordt de exploitatie en kostprijs transparant voor afnemers? Komt er een openbaar jaarverslag?
Ja. Het publieke warmtebedrijf moet openbaar verantwoorden:
- Financiële resultaten.
- Investeringen.
- Kostenstructuur.
- En duurzaamheidsdoelen.
Dit gebeurt via jaarverslagen en via rapportages aan de aandeelhoudende gemeenten.
7.22 Komt winst ten goede aan bewoners of aan de gemeentekas?
Het RPIW is een publiek bedrijf zonder winstoogmerk. Eventuele positieve resultaten blijven binnen het warmtebedrijf en worden gebruikt voor:
- Lagere tarieven.
- Betere infrastructuur.
- Of versterking van de bronmix.
Winsten vloeien niet naar algemene middelen van de gemeente.
7.23 Waarom niet investeren in een sterker elektriciteitsnet en warmtepompen, in plaats van naast netverzwaring óók een warmtenet aan te leggen? Is dat geen dubbele kosten?
De warmtevraag in de regio is zo groot dat uitsluitend elektrificatie zou leiden tot zeer grote netverzwaringen, die niet altijd haalbaar of betaalbaar zijn. Warmtenetten ontlasten juist het elektriciteitsnet door warmte te leveren zonder extra piekbelasting. In veel wijken is een combinatie van beide oplossingen nodig.
7.24 Wat als minder dan 70% van de bewoners meedoet?
De financiële haalbaarheid van een warmtenet wordt per wijk bepaald. Minder deelname kan betekenen dat:
- Het project niet doorgaat.
- Of de planning wordt aangepast.
- Of een andere warmteoplossing wordt gekozen.
- Of het gebied voor een collectief warmtenet wordt vergroot.
Geen enkele bewoner wordt verplicht om mee te doen.
7.25 Wie draagt de investeringslasten? Worden deze doorberekend aan bewoners?
Investeringen worden gedragen door het publieke warmtebedrijf. Een deel daarvan komt terug in het warmtetarief, onder toezicht van de ACM. Het tarief mag alleen de werkelijke kosten dekken en geen extra winst.
7.26 Wat is het gewenste financiële rendement? Wat gebeurt er met eventuele winst?
Het warmtebedrijf werkt met een beperkt, publiek rendement, zoals de Wcw voorschrijft. Eventuele winsten worden gebruikt om:
- Tarieven betaalbaar te houden.
- Nieuwe bronnen te ontwikkelen.
- Of infrastructuur te verbeteren.
7.27 In Denemarken zijn burgers eigenaar via collectieven. Waarom kan dat hier niet? Hoe krijgen bewoners invloed?
In Nederland bepaalt de Wcw dat warmtebedrijven publiek eigendom moeten zijn. Dat betekent niet dat bewoners geen invloed hebben: via gemeentelijke besluitvorming, participatietrajecten, adviespanels en lokale initiatieven kunnen bewoners actief meedenken en meebeslissen.
7.28 Kan de gebruiker aandeelhouder worden? Waarom mogen burgers niet participeren?
Het RPIW is een besloten vennootschap. Zolang de meerderheid van de aandelen in publieke handen is, zie vraag 6.9, is het mogelijk dat derden ook aandelen houden. Dat kunnen in principe ook burgers zijn.
Burgers kunnen ook op andere manieren deelnemen, bijvoorbeeld via:
- Coöperatieve warmteprojecten.
- Lokale bronnen.
- Adviesgroepen.
- En beleidsconsultaties.
7.29 Komt er een aansluitplicht voor wijken waar een warmtenet wordt aangelegd?
Nee. De Wcw en Wgiw geven bewoners keuzevrijheid. Een gemeente kan wel besluiten dat de wijk op termijn van het gas gaat, maar bewoners mogen een eigen duurzaam alternatief kiezen.
Overige vragen
Staat uw vraag of antwoord er niet tussen? Stuur dan uw vraag per mail naar uw gemeente:
Gemeente Leiderdorp: info@leiderdorp.nl
Gemeente Leiden: energietransitie@leiden.nl
Gemeente Oegstgeest: duurzaam@oegstgeest.nl
Gemeente Katwijk: energie@katwijk.nl
Gemeente Zoeterwoude: duurzaam@zoeterwoude.nl
Gemeente Voorschoten: duurzaam@voorschoten.nl